VRP

Opiniestuk “De betaler vervuilt” 

Robin De Ridder (Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning) 

Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men u, fermette, tegen. Er was een tijd, nog niet zo heel lang geleden, waarin elk stuk grond potentieel bouwgrond was. Zowel natuur als landbouwgebied waren daar slachtoffer van, aangezien overal de grotere aaneengesloten gehelen versnipperd raakten tussen fermettes, lintbebouwing en verkavelingen. En ook de overheid zag zich met hoge kosten voor publieke dienstverlening geconfronteerd, want al die nieuwkomers in de open ruimte hadden ook wegen, riolering, zorg en openbaar vervoer nodig. Om daar paal en perk aan te stellen ontwikkelde de (toen nog Belgische) overheid in de jaren ’60 en ’70 een systeem van ruimtelijke planning, waarbij het volledige grondgebied werd ingekleurd in bestemmingszones: sommige zones laten nieuwe woningen of bedrijven toe, andere behouden we volledig voor aan de beroepslandbouw of aan de natuur. 

Al van bij het begin botste dit idealistische totaalbeeld met praktische bezwaren op het terrein. Het aantal landbouwbedrijven nam na de Tweede Wereldoorlog met 95% af, en op het moment dat de ruimtelijke planning ten tonele verscheen, rekende het merendeel van de landbouwers er nog op dat ze hun hoeves en gronden als bouwgrond zouden kunnen verkopen, en zo hun pensioen konden spijzen. Om aan die verwachtingen tegemoet te komen, voorzag de overheid uitzonderingen op haar eigen planningssysteem: vrijkomende hoeves konden toch nog tot woningen of bedrijven omgevormd worden, zelfs wanneer de bestemmingszone dat niet toeliet. In plaats van voor een uitdoofstrategie te kiezen, schoof ze zo het probleem voor zich uit. De verwachting bleef bestaan dat elke landbouwzetel de potentiële waarde van bouwgrond had.

Zonevreemdheid, het gegeven van woningen of bedrijven die zich bevinden in een zone waarvan de overheid eigenlijk gezegd had dat die woningen of bedrijven er niet thuishoren, is sindsdien het kernprobleem in onze ruimtelijke ordening. Vijftig jaar en honderdduizenden zonevreemde woningen na de eerste bestemmingsplannen, lukt het de overheid nog steeds niet om ‘nee’ te zeggen tegen ontwikkelingen die fundamenteel ingaan tegen haar visie op de open ruimte. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, en de problemen van versnippering van natuur en landbouw, van een onbetaalbare openbare dienstverlening en van onbetaalbare grond voor nieuwe landbouwers blijven daardoor voortwoekeren.

Positief is dat zowel de natuur- als de landbouworganisaties de stank van die wonden vandaag ook niet meer te harden vinden. Alleen is het voorstel van een ‘fermettetaks’ dat ze naar voor schuiven in de Standaard1 een ferme stap terug ten opzichte van enkele jaren terug, toen ze nog samen pleitten voor het (al dan niet gefaseerd) afschaffen van de zonevreemde uitzonderingsregels.2 In tegenstelling tot dat eerdere voorstel lost een fermettetaks de speculatie in de open ruimte en de problemen die daaruit voortkomen niet op – ze behoudt die enkel voor aan een rijker publiek.

Beeld je een stad in die een deel van haar centrum tot voetgangerszone omvormt, maar dan stelt dat automobilisten er nog mogen doorrijden, zo snel als ze willen, zo lang ze maar een financiële bijdrage betalen die in een fonds voor verkeersslachtoffers terechtkomt. Beeld je in dat er weer gerookt mag worden in treinen, restaurants en crèches, zo lang de rokers maar een hogere bijdrage leveren aan de gezondheidszorg. Het gaat om een soort perversie van het principe “de vervuiler betaalt”: de betaler mag vervuilen.

In de ruimtelijke planning wordt dit soort aanpak steeds couranter. Bij grotere ontwikkelingen kiezen overheden er onder de noemer ‘onderhandelingsstedenbouw’ bijvoorbeeld voor om de eigen doelstellingen te laten afkopen via stedenbouwkundige lasten, waarbij de ontwikkelaar compensaties, financieel of in natura, voorziet voor zaken die eigenlijk niet toelaatbaar hadden mogen zijn. Ook voor zonevreemde functies zelf koos de Vlaamse Regering eerder al om randvoorwaarden rond verharding op te leggen, terwijl ze al decennia erkent dat die zonevreemde functies in se problematisch zijn. Sociaal rechtvaardig is zoiets niet te noemen, want het doet het beeld ontstaan dat beleidsdoelstellingen afgekocht kunnen worden door wie er het geld voor heeft, en bovendien leidt het tot een regelgevend kluwen van uitzonderingen op uitzonderingen.

De oplossing voor het probleem kan nochtans niet simpeler zijn: de afschaffing van één enkel artikel in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Alleen moet daarvoor iemand ‘nee’ durven zeggen, en daarmee afrekenen met een halve eeuw aan besluiteloosheid.

Lees hier het artikel in De Standaard

© getty